ECLI:NL:RVS:2021:2741
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering rechtbankuitspraak inzake machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 13 maart 2020 aanvragen van vijf vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Tegen deze besluiten werd bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 22 oktober 2020 ongegrond werd verklaard. De vreemdelingen stelden vervolgens beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 25 oktober 2021 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en besloot daarom dat de staatssecretaris de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist.
De voorzieningenrechter bepaalde tevens dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 7 december 2021 door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.