ECLI:NL:RVS:2021:2721
Raad van State
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek beperkte kennisneming stukken in hoger beroep tegen sluiting horeca-inrichting
In deze zaak is appellant in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag over de sluiting van zijn horeca-inrichting voor negen maanden. De burgemeester van Gouda had tijdens een landelijke controle een werkend cash center in beslag genomen en drugs aangetroffen in het pand en bij klanten, waarna hij de sluiting op grond van de Opiumwet en gemeentelijke verordening had bevolen.
De burgemeester heeft twee vertrouwelijke gedingstukken overgelegd en verzocht dat alleen de Afdeling bestuursrechtspraak kennis zou mogen nemen van deze stukken, vanwege het belang van de persoonlijke levenssfeer van betrokken derden. De Afdeling moest beoordelen of dit verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd was.
De Afdeling concludeert dat het privacybelang van derden, zoals genoemd in de bestuurlijke rapportages met namen, adressen en geboortedata, zwaarder weegt dan het belang van appellant om deze gegevens in te zien. Dit geldt ook voor de namen van rapporteurs, maar niet voor de aanbieders van de rapportages en niet voor de persoonsgegevens van appellant zelf. Daarom wijst de Afdeling het verzoek tot beperkte kennisneming af voor deze gegevens.
De burgemeester wordt verzocht binnen 14 dagen een aangepaste versie van de stukken te verstrekken waarin de privacygevoelige gegevens van derden zijn afgeschermd, maar waarbij de gegevens van appellant en de aanbieders van de rapportages wel worden vrijgegeven. Hiermee wordt een zorgvuldige afweging gemaakt tussen het recht op privacy en het recht op informatie in het kader van het hoger beroep.
Uitkomst: Het verzoek tot beperkte kennisneming wordt grotendeels toegewezen vanwege privacybelangen, met enkele uitzonderingen voor gegevens van appellant en aanbieders van rapportages.