ECLI:NL:RVS:2021:2652
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing voorrangsverklaring woningzoekende wegens eigen toedoen woonsituatie
Appellante is in juli 2018 met haar minderjarige kinderen vanuit Curaçao naar Nederland gekomen en woonde aanvankelijk bij een kennis en later bij een dochter in een te kleine woning in Den Haag. Hierdoor ontstonden gezondheidsproblemen bij een dochter. Zij vroeg op 6 april 2019 een voorrangsverklaring aan, ondersteund door verklaringen van een hulpverlener en psycholoog.
Het college van burgemeester en wethouders wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarde dat zij buiten eigen schuld en toedoen binnen drie maanden andere woonruimte nodig had. De problematische woonsituatie was door haar eigen handelen veroorzaakt. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees ook het beroep af. Appellante stelde dat zij te goeder trouw was en dat haar situatie om een voorrangsverklaring vroeg.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de afwijzing terecht was omdat de woonsituatie door eigen toedoen was ontstaan. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat appellant niet was aangewezen op woonruimte in Den Haag en ook elders passende woonruimte en werk had kunnen zoeken. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de voorrangsverklaring bevestigd.