ECLI:NL:RVS:2021:2540
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag na veroordeling medeplegen poging tot doodslag
De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) door de minister van Justitie en Veiligheid. Appellante was betrokken bij een steekincident met dodelijke afloop en is veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag en openlijke geweldpleging. Ondanks haar positieve ontwikkeling en opleiding tot sociaal werker, weegt het belang van de samenleving bij bescherming tegen herhaling van het ernstige delict zwaarder dan haar belang bij het verkrijgen van een VOG.
De minister heeft de aanvraag eerst getoetst aan het objectieve criterium, waarbij het risico voor de samenleving centraal staat, en vervolgens aan het subjectieve criterium, waarin belangen worden afgewogen. De rechtbank en de Raad van State oordelen dat de minister in redelijkheid heeft gehandeld door de aanvraag af te wijzen, mede vanwege het korte tijdsverloop sinds de veroordeling en het feit dat appellante na haar detentie nog met politie in aanraking is geweest.
Appellante stelde dat zij een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en geschikt is voor het werk bij Vizaviecare, maar dit verweer werd verworpen. Het positieve reclasseringsrapport uit 2021, dat pas na het bezwaarbesluit beschikbaar was, verandert niets aan het oordeel. De Raad van State wijst het hoger beroep af en bevestigt het oordeel van de rechtbank.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag vanwege het ernstige delict en het korte tijdsverloop sinds de veroordeling.