ECLI:NL:RVS:2021:232
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling toepasselijkheid en geldigheidsduur verblijfsvergunning regulier arbeid in loondienst
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'arbeid in loondienst' af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat artikel 14, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) van toepassing was in plaats van het vijfde lid.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat artikel 14, vijfde lid, Vw 2000 ook van toepassing is op niet-gecombineerde vergunningen, maar de Afdeling oordeelde dat dit lid uitsluitend ziet op gecombineerde vergunningen voor verblijf en arbeid (gvva). De geldigheidsduur van niet-gecombineerde vergunningen wordt geregeld in artikel 14, vierde lid, Vw 2000 in samenhang met artikel 3.58 van het Vb 2000.
De Afdeling verwierp het betoog van de staatssecretaris dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn vanwege het ontbreken van belang, omdat de vreemdeling wel degelijk belang had bij een inhoudelijke beoordeling. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uiteindelijk vernietigde de Afdeling het vonnis van de rechtbank en het besluit van 20 oktober 2020, verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en het beroep ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het beroep van de vreemdeling ongegrond en het besluit van 20 oktober 2020 vernietigd.