ECLI:NL:RVS:2021:2120
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- G.M.H. Hoogvliet
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Nederlanderschap op grond van tijdelijk Chavez-Vilchezverblijfsrecht
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees het verzoek van appellante om het Nederlanderschap te verkrijgen af op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Appellante, geboren in 1976 en houder van de Bengalese nationaliteit, bezit een verblijfsdocument EU/EER als familielid van een burger van de Unie, gebaseerd op artikel 20 van Pro het VWEU, het zogenaamde Chavez-Vilchezverblijfsrecht.
Appellante stelde dat dit verblijfsrecht duurzaam is en verzocht om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. De Afdeling oordeelde echter dat het Chavez-Vilchezverblijfsrecht een afgeleid en tijdelijk verblijfsrecht is, omdat het afhankelijk is van de zorgrelatie met haar Nederlandse kind en eindigt bij meerderjarigheid of het wegvallen van afhankelijkheid.
De Afdeling benadrukte dat de naturalisatieprocedure een nationaalrechtelijke beoordeling vereist en dat de staatssecretaris beoordelingsruimte heeft bij het bepalen of bedenkingen bestaan tegen verblijf voor onbepaalde tijd. De Afdeling verwierp het beroep van appellante en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het verblijfsrecht niet duurzaam is, waardoor het verzoek om Nederlanderschap terecht werd afgewezen.
De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 22 september 2021, waarbij de Afdeling tevens oordeelde dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om Nederlanderschap wordt bevestigd.