ECLI:NL:RVS:2021:2082
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- G.M.H. Hoogvliet
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens vermeende verzwijging relevante feiten niet aannemelijk
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had het Nederlanderschap van de wederpartij ingetrokken op grond van het verzwijgen van de geboorte van een kind met een andere vrouw dan de partner bij wie hij destijds verbleef. De wederpartij had bij zijn naturalisatieverzoek verklaard alle relevante gegevens naar waarheid te hebben verstrekt.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond en vernietigde het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris niet aannemelijk heeft gemaakt dat de wederpartij feiten heeft verzwegen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze van belang waren voor de beoordeling van het naturalisatieverzoek. De verklaringen van de wederpartij en de moeder van het kind bevestigden dat de wederpartij pas in 2013 op de hoogte werd gesteld van de geboorte van het kind.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het Nederlanderschap van de wederpartij blijft behouden en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het Nederlanderschap van de wederpartij blijft behouden.