ECLI:NL:RVS:2021:186
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- H. Troostwijk
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod ondanks ernstige veroordelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 1 december 2017 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken en een inreisverbod uitgevaardigd. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 31 januari 2018 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond op 23 november 2018. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep oordeelt de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op de intrekking van de autonome verblijfstitel van de vreemdeling. De Afdeling vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Echter, uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting laat de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.
De staatssecretaris heeft gemotiveerd dat het evenredigheidsbeginsel is toegepast, waarbij rekening is gehouden met de ernstige en meervoudige veroordelingen van de vreemdeling, waaronder zware mishandeling en bedreiging met geweld. Tevens is een individuele belangenafweging gemaakt conform artikel 17 van Pro de richtlijn en artikel 8 EVRM Pro. De vreemdeling heeft geen omstandigheden aangevoerd die deze beoordeling ondermijnen.
De Afdeling veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De uitspraak is gedaan door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A. Kuijer, leden, op 29 januari 2021.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.