ECLI:NL:RVS:2021:1811

Raad van State

Datum uitspraak
16 augustus 2021
Publicatiedatum
13 augustus 2021
Zaaknummer
202006665/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU-HandvestArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid aanvraag verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering risico terugkeer Griekenland

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde bij besluit van 30 september 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de vreemdeling bij terugkeer naar Griekenland geen reëel risico loopt op een situatie in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het EU-Handvest. Dit oordeel werd mede gebaseerd op recente uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit van 30 september 2020 en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat de staatssecretaris de proceskosten van € 2.244,00 aan de vreemdeling moet vergoeden. Verdere inhoudelijke behandeling van andere aangevoerde grieven was niet nodig.

Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd wegens onvoldoende motivering over het risico bij terugkeer naar Griekenland.

Uitspraak

202006665/1/V3.
Datum uitspraak: 16 augustus 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 7 december 2020 in zaak nr. NL20.17722 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 30 september 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 7 december 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Drenth, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       Grief 2 gaat over de situatie voor statushouders in Griekenland en de vraag of zij bij terugkeer naar dat land een reëel risico lopen om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU-Handvest. Daarover heeft de Afdeling op 28 juli 2021 twee uitspraken gedaan (ECLI:NL:RVS:2021:1626 en ECLI:NL:RVS:2021:1627). Hieruit volgt dat de staatssecretaris beter moet motiveren waarom de vreemdeling voormeld risico niet loopt.
De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 30 september 2020 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 7 december 2020 in zaak nr. NL20.17722;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 30 september 2020, V-nummers […] en […];
V.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.244,00,  geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
w.g. Steendijk
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Laar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2021
551