ECLI:NL:RVS:2021:1797
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing intrekking last onder dwangsom wegens detailhandel op bedrijventerrein
Appellant exploiteert een fietsenwinkel en verzocht het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden handhavend op te treden tegen een andere onderneming die fietsen verkocht op een bedrijventerrein, hetgeen volgens appellant in strijd was met het bestemmingsplan en leidde tot concurrentievervalsing.
Het college legde een last onder dwangsom op, maar trok deze later in omdat het van mening was dat de verkoop van fietsen niet in strijd was met het bestemmingsplan. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de verkoop van fietsen was toegestaan, maar stelde dat vanaf 1 juni 2018 geen strijd meer bestond met het bestemmingsplan.
In hoger beroep stelde appellant dat de verkoop van fietsen geen normaal en ondergeschikt bestanddeel was van de bedrijfsvoering van het autobedrijf. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de fietsenwinkel niet als normaal bestanddeel van de bedrijfsuitoefening kan worden beschouwd, mede omdat de SBI-codering en toelichting dit niet ondersteunen en maatschappelijke argumenten onvoldoende zijn.
Het hoger beroep van appellant werd gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de andere partij ongegrond, en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand werden gelaten. Het college moet een nieuw besluit nemen en appellant wordt in de proceskosten tegemoetgekomen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het college moet een nieuw besluit nemen over het bezwaar van appellant.