ECLI:NL:RVS:2021:1675
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking marktvergunning wegens niet-naleving aanwezigheidsplicht op Haagse Markt
Appellant was vergunninghouder op de Haagse Markt voor meerdere standplaatsen op vrijdag en zaterdag. Na invoering van de Marktverordening en het Marktreglement Den Haag 2016 werd de persoonlijke aanwezigheid van vergunninghouders verplicht gesteld. Appellant vroeg ontheffing van deze verplichting vanwege medische klachten, waaronder hartritmestoornissen, maar het college wees dit af en trok zijn vergunningen in wegens herhaaldelijke overtreding van de aanwezigheidsplicht.
Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. In hoger beroep bij de Raad van State voerde appellant aan dat het college onvoldoende rekening had gehouden met zijn bijzondere medische omstandigheden en dat de intrekking disproportioneel was. Hij stelde dat het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel waren geschonden.
De Raad van State overwoog dat de aanwezigheidsplicht een belangrijk instrument is om goed ondernemerschap te bevorderen en oneerlijke concurrentie tegen te gaan. Medische verklaringen toonden niet aan dat appellant niet in staat was om persoonlijk aanwezig te zijn, zeker omdat hij personeel had dat inspannende werkzaamheden kon verrichten. De intrekking was in lijn met het Sanctiebeleid en er waren geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigden.
De Raad van State bevestigde daarom het besluit van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de marktvergunning wegens het niet persoonlijk innemen van de standplaatsen.