ECLI:NL:RVS:2021:1461
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing voorschotten zorgtoeslag en huurtoeslag wegens verblijfsrechtelijke status
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn voorschotten zorgtoeslag en huurtoeslag voor het jaar 2019 door de Belastingdienst/Toeslagen. De Belastingdienst stelde dat appellant geen recht had op deze toeslagen vanwege zijn verblijfsrechtelijke status, gebaseerd op gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
De rechtbank had geoordeeld dat appellant van 1 januari 2019 tot en met 7 juni 2019 geen rechtmatig verblijf had en daarom geen aanspraak op toeslagen kon maken. Na 7 juni 2019 had appellant weliswaar een nieuwe verblijfsvergunning aangevraagd, maar dit had geen schorsende werking omdat een inreisverbod was uitgevaardigd op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de voorschotten niet op nihil hadden mogen worden gesteld zolang de intrekking van zijn verblijfsvergunning niet onherroepelijk was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp dit betoog, bevestigde het inreisverbod en het ontbreken van rechtmatig verblijf, en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De Belastingdienst hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de voorschotten zorgtoeslag en huurtoeslag blijven op nihil gesteld vanwege het inreisverbod en het ontbreken van rechtmatig verblijf.