ECLI:NL:RVS:2021:1385
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectief bewijs huiselijk geweld
Appellante diende een aanvraag in voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens mishandeling, seksueel misbruik en bedreigingen door haar ex-partner tussen 1990 en 1994. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag aanvankelijk af wegens gebrek aan objectief bewijs van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.
Na bezwaar kende de CSG een beperkte uitkering toe voor een ander incident, maar handhaafde het standpunt dat het huiselijk geweld niet aannemelijk was gemaakt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische informatie niet objectief was en onvoldoende bewijs leverde.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt echter dat appellante voldoende objectieve aanwijzingen heeft geleverd, waaronder een begeleidingsbrief van maatschappelijk werk, medische aantekeningen van huisarts en psychiater, en verklaringen die samenhangend en ondersteunend zijn. De CSG kon zich niet redelijkerwijs op het standpunt stellen dat het huiselijk geweld niet aannemelijk was gemaakt.
De Afdeling vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en het besluit van de CSG, en beveelt een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens worden proceskosten aan appellante toegekend en wordt bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling mogelijk is.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven vernietigd en de zaak terugverwezen voor een nieuw besluit.