ECLI:NL:RVS:2021:1205
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende motivering serieuze verdenking
De korpschef van politie trok bij besluit van 18 maart 2019 de toestemming in die aan appellant was verleend om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Dit volgde op verdenkingen van mishandeling en beïnvloeding van getuigen, gebaseerd op aangifte, antecedentenonderzoek, een filmfragment en een geluidsfragment. Het Openbaar Ministerie had beide strafzaken geseponeerd wegens onvoldoende bewijs.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat de korpschef in redelijkheid tot zijn oordeel kon komen en dat er geen schending van de onschuldpresumptie was. Appellant stelde in hoger beroep onder meer dat de korpschef onvoldoende had gemotiveerd dat een serieuze verdenking bestond en dat de belangenafweging onjuist was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de korpschef onvoldoende had gemotiveerd waarom ondanks betwisting en sepotbeslissingen toch een serieuze verdenking kon worden aangenomen. Ook had de korpschef onvoldoende rekening gehouden met het ontbreken van eerdere veroordelingen van appellant. De Afdeling vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de korpschef binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen, waarbij alleen hoger beroep bij de Afdeling mogelijk is.
Uitkomst: Het intrekkingsbesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en gebrekkige belangenafweging; korpschef moet een nieuw besluit nemen.