ECLI:NL:RVS:2020:939
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering exploitatievergunning wegens slecht levensgedrag
Appellant vroeg op 19 mei 2017 een exploitatievergunning aan voor een cafetaria in Utrecht. De burgemeester weigerde deze vergunning op 15 februari 2018 omdat appellant volgens de Horecaverordening 2015 van slecht levensgedrag is. Dit oordeel was gebaseerd op een boete van €450 wegens het veroorzaken van lichamelijk letsel door schuld in Duitsland binnen vijf jaar voorafgaand aan het besluit, en op eerdere strafrechtelijke veroordelingen van appellant.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en bevestigde het besluit van de burgemeester. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte verder dan vijf jaar terugkeek en dat de lichte verkeersovertreding geen reden was om het besluit te baseren op slecht levensgedrag. Ook klaagde appellant over onvoldoende inzage in de stukken.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de burgemeester terecht ook oudere antecedenten mocht betrekken bij zijn oordeel over slecht levensgedrag en dat de boete binnen vijf jaar een feitelijke grondslag vormde voor het verder terugkijken. De beperkte inzage in bepaalde stukken was gerechtvaardigd en appellant kon alsnog zijn zienswijze geven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de weigering van de exploitatievergunning wegens slecht levensgedrag.