ECLI:NL:RVS:2020:914
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing uitkering schadefonds geweldsmisdrijven wegens strijd met zorgvuldigheidsbeginsel
Appellante heeft een uitkering aangevraagd uit het schadefonds geweldsmisdrijven wegens stelselmatige mishandelingen die zij tussen 2002 en 2007 heeft meegemaakt. De commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag af omdat onvoldoende objectieve aanwijzingen waren dat zij slachtoffer of getuige was van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De rechtbank bevestigde deze afwijzing.
In hoger beroep stelde appellante dat de CSG ten onrechte het dossier van haar moeder niet had betrokken bij de beoordeling van het bezwaar. De Afdeling oordeelde dat het besluit op bezwaar in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat het dossier van de moeder niet was meegenomen, terwijl appellante daar expliciet naar verwezen had.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond. Na herbeoordeling van de dossiers concludeerde de CSG echter dat er nog steeds onvoldoende objectieve aanwijzingen waren om de aanvraag toe te kennen. Daarom liet de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, waardoor appellante geen uitkering ontvangt.
Daarnaast veroordeelde de Afdeling de CSG tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige dossierbehandeling en objectieve bewijsvoering bij aanvragen uit het schadefonds geweldsmisdrijven.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot afwijzing wordt vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.