ECLI:NL:RVS:2020:841
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling recht op kinderopvangtoeslag 2016 bij arbeidsongeschiktheid en traject naar werk
De Belastingdienst/Toeslagen besloot op 10 juli 2018 dat appellante geen recht had op kinderopvangtoeslag over 2016 en stopte de toeslag per 1 januari 2016. Appellante had in dat jaar voorschotten ontvangen voor opvang van haar twee kinderen. De besluiten van 10 juli en 10 augustus 2018 betroffen respectievelijk het voorschot en de definitieve berekening, waartegen afzonderlijk bezwaar kon worden gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tegen het besluit van 10 juli 2018 niet tijdig was ingediend en verklaarde het beroep gegrond tegen het besluit van 29 oktober 2018. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt dit oordeel voor zover de rechtbank niet heeft beslist over het bezwaar tegen het besluit van 10 augustus 2018 en verklaart het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2018 ongegrond.
Appellante stelde recht te hebben op kinderopvangtoeslag omdat zij ondanks arbeidsongeschiktheid en het ontbreken van loonarbeid vrijwilligerswerk verrichtte en een traject naar werk wilde volgen. De Afdeling oordeelt dat zij geen arbeid verrichtte in de zin van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en dat haar stelling over toezeggingen van de Belastingdienst niet is onderbouwd.
De Belastingdienst wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellante. De Afdeling benadrukt dat appellante in het invorderingstraject betalingsregelingen kan aanvragen rekening houdend met haar financiële situatie.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2018 wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 10 juli 2018 is niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.