ECLI:NL:RVS:2020:769

Raad van State

Datum uitspraak
17 maart 2020
Publicatiedatum
17 maart 2020
Zaaknummer
201904851/2/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:45 AwbSanctieregeling Terrorisme 2007-II
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beperkte kennisneming ambtsbericht ter bescherming nationale veiligheid

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake de aanwijzing van appellant als persoon waarop de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II van toepassing is.

De minister van Binnenlandse Zaken heeft een individueel ambtsbericht van de AIVD overgelegd en verzocht dat alleen de Afdeling bestuursrechtspraak kennisneemt van de onderliggende stukken, vanwege gewichtige redenen die samenhangen met de nationale veiligheid.

De Afdeling heeft afgewogen tussen het belang van appellant om kennis te nemen van de stukken en het belang van bescherming van de nationale veiligheid. Gezien het risico dat vrijgave lopende en toekomstige AIVD-onderzoeken zou frustreren en daarmee de nationale veiligheid in gevaar zou brengen, heeft de Afdeling het verzoek tot beperkte kennisneming van de stukken toegewezen.

De beslissing is genomen op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en is uitgesproken door de enkelvoudige geheimhoudingskamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 maart 2020.

Uitkomst: Het verzoek tot beperkte kennisneming van het individueel ambtsbericht wordt toegewezen ter bescherming van de nationale veiligheid.

Uitspraak

201904851/2/A3.
Datum beslissing: 17 maart 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 mei 2019 in zaak nr. 18/4234 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 mei 2019 in zaak nr. 18/4234. Het gaat in die zaak om de aanwijzing van [appellant] als persoon op wie de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II van toepassing is.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft na toepassing van artikel 8:45, eerste lid en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de onderliggende stukken van een individueel ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) van 28 maart 2017 overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Overwegingen
1.    De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht kennis zal nemen.
2.    Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
3.    Naar het oordeel van de Afdeling weegt het belang van bescherming van de nationale veiligheid zwaarder dan het belang dat [appellant] kennis neemt van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat, indien de stukken worden vrijgegeven, zowel lopende als toekomstige onderzoeken van de AIVD gefrustreerd kunnen worden en daarmee de nationale veiligheid in gevaar kan worden gebracht.
4.    De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe;
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Ley-Nell
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2020