ECLI:NL:RVS:2020:634

Raad van State

Datum uitspraak
28 februari 2020
Publicatiedatum
28 februari 2020
Zaaknummer
201909148/3/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening tegen uitzettingshandelingen afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid

De vreemdeling heeft bij besluit van 26 februari 2019 een aanvraag gedaan voor een document dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan aantoont, welke door de staatssecretaris is afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de rechtbank, is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen die de Dienst Terugkeer en Vertrek verbiedt tot uitzettingshandelingen over te gaan, het in bewaring genomen paspoort terug te geven en schadevergoeding voor de vordering om in persoon te verschijnen. Eerder was reeds een voorlopige voorziening getroffen die uitzetting tot beslissing in hoger beroep verbiedt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het nieuwe verzoek geen nieuwe strekking heeft en dat overige verzoeken geen betrekking hebben op de hoofdzaak, maar op bevoegdheden waarvoor een aparte rechtsgang bestaat. Daarom wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en hoeft de staatssecretaris geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

201909148/3/V3.
Datum uitspraak: 28 februari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 22 november 2019 in zaak nr. 19/4647 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 26 februari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 28 mei 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 november 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de Dienst Terugkeer en Vertrek zich onthoudt van uitzettingshandelingen, dat zij in het bezit wordt gesteld van haar in bewaring genomen paspoort en dat de schade wordt vergoed die zij heeft geleden door een vordering om in persoon te verschijnen.
2.    Bij uitspraak van 4 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:349, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist. Voor zover de vreemdeling de Afdeling naar aanleiding van de vordering om in persoon te verschijnen van 5 februari 2020 opnieuw verzoekt om de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet wordt uitgezet, heeft dat verzoek geen verdere strekking dan het verzoek dat al is toegewezen.
3.    Wat de vreemdeling verder verzoekt, heeft geen betrekking op het geding in de hoofdzaak. Het verzoek gaat namelijk over de uitoefening van bevoegdheden die zijn neergelegd in hoofdstuk 4 van de Vw 2000, waartegen een aparte rechtsgang openstaat.
4.    Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Vonk
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2020
345-846.