ECLI:NL:RVS:2020:630

Raad van State

Datum uitspraak
27 februari 2020
Publicatiedatum
27 februari 2020
Zaaknummer
201909249/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 lid 2 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel na hoger beroep

De staatssecretaris heeft op 5 november 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 19 december 2019 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In het hoger beroep werden meerdere grieven aangevoerd, waarvan de meeste niet tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank leiden. Eén grief betrof een vermeende onjuiste weergave door de rechtbank van een standpunt van de vreemdeling over haar afkeer van de islam, maar deze klacht werd verworpen omdat deze geen materieel voordeel oplevert voor de vreemdeling.

De Raad van State bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank, met een verbetering van de motivering. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toerekenbaar zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning asiel en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201909249/1/V2.
Datum uitspraak: 27 februari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 19 december 2019 in zaak nr. NL19.26676 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 5 november 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 19 december 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.M.J. van Zantvoort, advocaat te 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    Wat de vreemdeling in grieven 1 en 3 tot en met 7 heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.    De vreemdeling klaagt in de tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over haar afkeer van de islam. Deze klacht is terecht. De staatssecretaris heeft een dergelijk standpunt immers niet ingenomen. Dit kan echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leiden, omdat de vreemdeling hierbij materieel niet is gebaat. De staatssecretaris heeft met de wél door hem ingenomen standpunten, die gelet op overweging 1 standhouden, namelijk deugdelijk gemotiveerd dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is.
3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Van Eck    w.g. Van de Sluis
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2020
802.