ECLI:NL:RVS:2020:433
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- J.E.M. Polak
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging stopzetting kinderopvangtoeslag wegens ontbreken inkomen uit werk en woning
Appellant en zijn toeslagpartner verrichtten promotieonderzoek aan de Vrije Universiteit Amsterdam en ontvingen een toelage van de schoonvader van appellant. Vanaf 2014 vroeg appellant kinderopvangtoeslag aan voor de opvang van zijn zoon. De Belastingdienst zette de toeslag per 1 januari 2016 stop omdat appellant niet voldeed aan de vereisten van artikel 1.6 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko).
De rechtbank oordeelde dat de ontvangen toelage niet gelijkgesteld kan worden met inkomen uit werk en woning zoals bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), omdat er geen arbeidscontract of gezagsrelatie is en het promotieonderzoek onbetaald was. Appellant stelde in hoger beroep dat de toelage wel als inkomen uit overige werkzaamheden moet worden beschouwd, verwijzend naar de memorie van toelichting bij de Wet IB 2001.
De Raad van State overweegt dat de beoordeling van het inkomen is voorbehouden aan de inspecteur die de aanslag vaststelt. Omdat appellant geen aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan, zijn er geen fiscale gegevens over zijn inkomen bekend bij de inspecteur. De Belastingdienst/Toeslagen mocht zich daarom baseren op het standpunt dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag. Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De stopzetting van de kinderopvangtoeslag over 2016 wordt bevestigd omdat appellant geen inkomen uit werk en woning heeft aangetoond.