ECLI:NL:RVS:2020:3062
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit Belastingdienst over toeslagpartnerschap kindgebonden budget 2016
Appellant ontving in 2016 voorschotten kindgebonden budget en woont sinds eind 2015 niet meer samen met zijn ex, die in maart 2016 uit de Basisregistratie Personen is uitgeschreven. Pas op 15 februari 2017 diende appellant een verzoek tot echtscheiding in. De Belastingdienst/Toeslagen stelde het definitieve kindgebonden budget lager vast dan de voorschotten omdat de ex in 2016 nog als toeslagpartner werd aangemerkt.
De rechtbank oordeelde dat het partnerbegrip conform de wetgeving bepaalt dat het moment van indiening van het verzoek tot echtscheiding bepalend is, waardoor appellant en zijn ex in 2016 nog partners waren. Appellant voerde aan dat de advocaat vertraging had en dat de lagere vaststelling onrechtvaardig is, maar dit werd verworpen.
De Raad van State bevestigt dat voor het niet meer als partner aanmerken moet worden voldaan aan beide voorwaarden van artikel 5a, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, waaronder het indienen van het verzoek tot echtscheiding. Het feit dat de ex niet meer samenwoonde en uitgeschreven was uit de BRP is onvoldoende. Het systeem van voorschotten en latere vaststelling is wettelijk geregeld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; appellant en ex waren in 2016 nog toeslagpartners, bevestiging lagere vaststelling kindgebonden budget.