ECLI:NL:RVS:2020:2958
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees in maart en mei 2019 aanvragen van drie vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf en een verblijfsvergunning af. De daarop ingestelde bezwaren werden door de staatssecretaris ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris niet onrechtmatig had afgezien van het horen in bezwaar. Volgens artikel 7:3 Awb Pro mag alleen worden afgezien van het horen als redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat de bezwaren niet tot een ander besluit kunnen leiden. De Afdeling stelde vast dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was en vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris.
Uit oogpunt van definitieve geschilbeslechting liet de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit echter in stand, omdat inhoudelijk geen reden was om het besluit onjuist te achten. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen, zij het zonder griffierecht. Hiermee werd het hoger beroep gegrond verklaard en het beroep alsnog toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.