Uitspraak
Datum uitspraak: 9 december 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
Raad van State
Belanghebbende exploiteert een muziek- en partycentrum in een horecapand te Aarlanderveen. Het college verleende op 24 november 2016 een vrijstelling en bouwvergunning voor uitbreiding van het pand, inclusief een extra zaal en woning. De Afdeling oordeelde in een tussenuitspraak dat het college onvoldoende rekening had gehouden met de parkeernota en de motivering onvoldoende was.
Het college werd opgedragen de motiveringsgebreken te herstellen. Bij besluit van 12 december 2019 verleende het college ontheffing van de eis om op eigen terrein te parkeren, stellende dat elders voldoende parkeergelegenheid is. Appellanten voerden aan dat het college ten onrechte ontheffing verleende en dat er onvoldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn.
De Afdeling overwoog dat het college terecht uitging van een bruto vloeroppervlakte van 836 m² en een parkeernorm van 8 autoparkeerplaatsen per 100 m². De 55 parkeerplaatsen op eigen terrein voldoen aan de NEN 2443-normen. Uit parkeertellingen bleek dat met de ontheffing de parkeerbezetting binnen de norm blijft. Ook de bezwaren over de omvang van evenementen en mogelijke verkeersoverlast werden verworpen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, maar verklaarde het beroep tegen het besluit van 12 december 2019 ongegrond. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellanten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 12 december 2019 wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.