ECLI:NL:RVS:2020:2652
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier
De vreemdeling had bij besluit van 19 februari 2019 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaarde, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het hogerberoepschrift niet voldeed aan de eisen van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat de vreemdeling niet had toegelicht op welk punt de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn en waarom. Ondanks een termijnverlengeningsbrief om alsnog nadere uitleg te geven, maakte de vreemdeling hier geen gebruik van.
Daarom kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep en verklaarde zij het hoger beroep niet-ontvankelijk. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door lid H.G. Sevenster, terwijl het lid van de enkelvoudige kamer verhinderd was de uitspraak te ondertekenen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering.