ECLI:NL:RVS:2020:2646
Raad van State
- Hoger beroep
- B.J. van Ettekoven
- F.D. van Heijningen
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete voor illegale omzetting zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte in Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellant een bestuurlijke boete van €18.000 op wegens het zonder vergunning omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte, verhuurd aan zes personen die geen huishouden vormen. De rechtbank matigde de boete tot €6.000 vanwege het ontbreken van ondertekende meldingsformulieren en het feit dat er geen leefbaarheidsproblemen waren.
Appellant stelde incidenteel hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank en betoogde dat de Huisvestingsverordening onrechtmatig was en dat er onvoldoende onderbouwing was voor de schaarste in de woningvoorraad. De Raad van State verwierp deze bezwaren, bevestigde de schaarste in de gehele gemeente Amsterdam en oordeelde dat de verordening niet in strijd is met het EVRM.
Het college stelde hoger beroep in tegen de matiging van de boete en voerde aan dat appellant onvoldoende aan de meldplicht had voldaan en dat de boete noodzakelijk was voor een afschrikwekkend effect. De Raad van State oordeelde dat de matiging van de boete naar €6.000 passend was gezien de administratieve aard van de overtreding en de omstandigheden van de zaak.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het incidenteel hoger beroep van appellant ongegrond en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt gematigd tot €6.000 en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.