ECLI:NL:RVS:2020:2570
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.D.M. van Diepenbeek
- E. Helder
- E.J. Daalder
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering ontheffing voor Decathlon vestigingen in Zuid-Holland wegens onjuiste rechtsgrond
In deze bestuursrechtelijke zaak hebben het college van burgemeester en wethouders van Den Haag en Schiedam, samen met twee ondernemingen, beroep ingesteld tegen besluiten van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland. Deze besluiten van 5 november 2019 weigerden ontheffing van artikel 6.13 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland voor de vestiging van grootschalige Decathlon sportwinkels in de perifere gebieden van Schiedam en Den Haag. De verzoeken tot ontheffing stammen uit 2014 en zijn na eerdere vernietiging opnieuw beoordeeld.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de besluiten onrechtmatig zijn genomen omdat zij niet op de juiste wettelijke grondslag zijn gebaseerd. De ontheffingsverzoeken hadden moeten worden getoetst aan artikel 3.2 van de Verordening ruimte 2014-III, niet aan de Omgevingsverordening. De Afdeling vernietigt daarom de bestreden besluiten, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand.
Inhoudelijk is geoordeeld dat het Decathlon-concept niet zodanig innovatief is dat ontheffing gerechtvaardigd is. Het college van gedeputeerde staten heeft aannemelijk gemaakt dat het weigeren van ontheffing een zinvolle bijdrage levert aan het provinciale detailhandelsbeleid, met name ter voorkoming van leegstand en ter bevordering van de leefbaarheid van stadscentra. De bezwaren tegen de gehanteerde rapporten en analyses zijn niet overtuigend. De proceskosten worden deels toegewezen aan het college van gedeputeerde staten.
Uitkomst: De besluiten van 5 november 2019 tot weigering van ontheffing worden vernietigd wegens onjuiste rechtsgrond, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.