ECLI:NL:RVS:2020:2404
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.C.W. Lange
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake verblijfsvergunning en inreisverbod vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 28 juni 2016 een aanvraag van een Iraanse vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af en legde een inreisverbod op. De vreemdeling, wonend zonder verblijfsvergunning in Nederland sinds 2009, wilde verblijf bij zijn Nederlandse partner. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris de vergunning moest verlenen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en betoogde dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak had voorzien en onvoldoende terughoudendheid had betracht bij de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank onterecht haar eigen oordeel had gesteld en de staatssecretaris de mogelijkheid had ontnomen om zijn standpunt nader te motiveren.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De Afdeling overwoog dat er geen sprake was van onoverkomelijke belemmeringen ('insurmountable obstacles') voor de partner om de vreemdeling naar Iran te volgen en dat het mvv-vereiste terecht werd toegepast. De Afdeling wees erop dat artikel 8 EVRM Pro geen recht op vrije domiciliekeuze biedt en dat de kans op gezinshereniging in Nederland niet volledig uitzichtloos is.
De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 9 oktober 2020.
Uitkomst: De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.