ECLI:NL:RVS:2020:2390
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling terugwerkende kracht vergunning rondvaartschip Texel
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het beroep van appellant tegen het college van burgemeester en wethouders van Texel behandeld. Het geschil betreft de vraag of de vergunning voor het gebruik van een rondvaartschip met terugwerkende kracht tot 12 augustus 2016 had moeten worden verleend.
Na een tussenuitspraak waarbij het college werd opgedragen de gebreken in haar besluit te herstellen, heeft het college een aanvullende motivering gegeven. Het college was echter niet bereid de vergunning met terugwerkende kracht te verlenen, stellende dat het schip geen volwaardig rondvaartschip was en appellant daarom niet in aanmerking kwam voor de vergunning.
De Afdeling oordeelt dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de vergunning niet met terugwerkende kracht verleend zou moeten worden. De Afdeling benadrukt dat het college de aanvraag had moeten beoordelen op basis van het overgangsrecht van de Havenverordening, waarbij het gebruik van de haven voorafgaand aan 2016 en bestaande rechten van rondvaart- en vissersboten gerespecteerd moeten worden.
De Afdeling vernietigt daarom het besluit van 9 april 2019 voor zover de begindatum van de vergunning op 10 april 2019 is gesteld en bepaalt zelf dat de begindatum op 12 augustus 2016 wordt gesteld. Tevens veroordeelt de Afdeling het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De vergunning wordt met terugwerkende kracht tot 12 augustus 2016 verleend en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.