ECLI:NL:RVS:2020:2224
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 8 juni 2018 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf van een vreemdeling afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat bij besluit van 23 september 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling op 29 juli 2020 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar moest nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie op dit verzoek.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en dat de belangen van beide partijen in aanmerking genomen, het passend was een voorlopige voorziening te treffen. Hierdoor hoeft de staatssecretaris geen nieuw besluit op bezwaar te nemen voordat het hoger beroep is beslist. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft geen nieuw besluit op bezwaar te nemen totdat het hoger beroep is beslist.