ECLI:NL:RVS:2020:2156
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afzonderlijke dwangsom bij afwijzing machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 12 oktober 2017 de aanvraag van de vreemdeling voor een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 25 april 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 10 maart 2020 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte niet inhoudelijk heeft beoordeeld of de staatssecretaris onterecht geen afzonderlijke dwangsom heeft toegekend. Dit betreft een zelfstandige beroepsgrond die losstaat van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De vreemdeling had voor een meerderjarig kind een aparte aanvraag en bezwaar ingediend, waarop de staatssecretaris afzonderlijk had beslist. Hierdoor is het niet correct om slechts één dwangsom toe te kennen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 25 april 2019 voor zover daarin geen afzonderlijke dwangsom is toegekend. Vervolgens stelt zij de dwangsom voor de vreemdeling afzonderlijk vast op €1.260,- en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van €1.575,-. Hiermee wordt de rechtsbescherming van de vreemdeling versterkt en wordt het bestuursorgaan aangesproken op correcte naleving van dwangsommen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd voor zover geen afzonderlijke dwangsom is toegekend, en een dwangsom van €1.260,- wordt vastgesteld.