ECLI:NL:RVS:2020:2124
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.W.M. Bijloos
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 20 december 2016 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar verklaarde de staatssecretaris dit bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
In hoger beroep oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak dat de rechtbank niet deugdelijk had gemotiveerd waarom de vluchtelingenpas van de vreemdeling niet als substantieel bewijs van identiteit werd erkend. De Afdeling stelde dat de staatssecretaris terecht oordeelde dat de pas, gebaseerd op eigen verklaringen, geen substantieel bewijs vormde. Verder faalden meerdere beroepsgronden van de vreemdeling, waaronder het betoog over bewijsnood en het ontbreken van beoordeling van een feitelijke gezinsband.
Wel slaagde de klacht dat de staatssecretaris onvoldoende had voldaan aan zijn vergewisplicht bij de beoordeling van een Eritrese kerkelijke huwelijksakte. Ondanks vernietiging van het besluit, liet de Afdeling de rechtsgevolgen van het besluit in stand uit oogpunt van definitieve geschilbeslechting. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.