Uitspraak
Datum uitspraak: 2 september 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende op 6 april 2018 een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning op een perceel waar eerder een woning stond die in 2017 werd gesloopt. Appellanten, buren van het perceel, maakten bezwaar tegen deze vergunning vanwege onder meer aantasting van hun woongenot en vermeende strijd met het bestemmingsplan en het Bouwbesluit 2012.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, maar de Raad van State oordeelt dat het college het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. De bouwhoogte is berekend vanaf een peil dat niet overeenkomt met het in het bestemmingsplan voorgeschreven peil, waardoor de vergunning feitelijk een bouwhoogte toestaat die de toegestane afwijking overschrijdt.
Verder wijst de Raad van State de door appellanten ingebrachte late stukken af wegens strijd met de goede procesorde. De Raad bevestigt dat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan en dat het welstandsadvies positief was, maar benadrukt dat het college een nieuw besluit moet nemen met correcte toepassing van de bouwhoogte-eisen.
Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. Tot het moment van het nieuwe besluit wordt het oorspronkelijke besluit geschorst. Tegen het nieuwe besluit kan alleen bij de Afdeling bestuursrechtspraak beroep worden ingesteld.
Uitkomst: Het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 Awb en het college moet een nieuw besluit nemen.