ECLI:NL:RVS:2020:2077
Raad van State
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen leden meervoudige kamer Raad van State
Verzoekers hebben bij de Raad van State een wrakingsverzoek ingediend tegen drie staatsraden die belast waren met de behandeling van hun zaak over openbaarmaking van documenten op grond van de Wob. Het verzoek betrof de beslissing van de zittingskamer om een nader stuk van verzoekers niet mee te nemen in de beoordeling van het hoger beroep, zonder hen daarover vooraf te horen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling onpartijdig moet worden vermoed, tenzij uitzonderlijke omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor vooringenomenheid. De beslissing van 25 augustus 2020 werd aangemerkt als een processuele beslissing die niet ter beoordeling staat in een wrakingsprocedure, tenzij deze voortvloeit uit vooringenomenheid.
De Afdeling stelde vast dat de zittingskamer het nader stuk niet meenam omdat het woordelijk delen bevatte van stukken die ten onrechte aan verzoekers waren verstrekt en die de minister van Financiën op grond van de Wob had geweigerd openbaar te maken. Dit raakte niet de omvang van het geding. De aangehaalde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep was niet van toepassing omdat die een inhoudelijke beslissing betrof.
De schriftelijke reactie van de staatsraden maakte duidelijk dat zij niet wilden toestaan dat onrechtmatig verkregen stukken als openbaar werden behandeld. De Afdeling concludeerde dat de vrees voor vooringenomenheid niet objectief gerechtvaardigd was en wees het wrakingsverzoek af.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de drie staatsraden is afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.