ECLI:NL:RVS:2020:2071
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens onrechtmatige verhuur zonder hoofdverblijf in Amsterdamse woning
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde appellant een bestuurlijke boete op vanwege het onttrekken van een woning aan de bestemming tot bewoning zonder vergunning, in strijd met artikel 21 van Pro de Huisvestingswet 2014.
Toezichthouders troffen tijdens een huisbezoek toeristen aan die verklaarden via Airbnb een slaapkamer te huren, terwijl ook de woonkamer door verschillende stellen werd gebruikt. Appellant stond ingeschreven op het adres, maar het college stelde dat hij niet zijn hoofdverblijf had in de woning.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij hoofdverblijf had, mede gelet op het ontbreken van persoonlijke spullen en verklaringen van toeristen en een buurman. Appellant voerde aan dat het rapport onvoldoende bewijskracht had en dat hij als 'millennial' weinig spullen bezat, maar de Raad van State verwierp deze bezwaren.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De opgelegde boete blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €20.500,- wegens onttrekking van de woning aan de bestemming tot bewoning zonder vergunning.