ECLI:NL:RVS:2020:2052
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom voor bodemonderzoek na beëindiging gritstraal- en verfspuitbedrijf
Appellant exploiteerde van 2009 tot 2011 een gritstraal- en verfspuitbedrijf op een gehuurd perceel en gebruikte bodembedreigende stoffen. Na beëindiging van de activiteiten diende hij een bodemkwaliteitsrapport in te dienen, wat niet gebeurde. Het college legde daarom een last onder dwangsom op.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat appellant als drijver van de inrichting kon worden aangemerkt en de verplichting tot het indienen van het rapport bestond. Appellant voerde onder meer aan dat hij niet als overtreder kon worden beschouwd, dat de activiteiten kleinschalig waren en dat het besluit op bezwaar niet correct was bekendgemaakt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het beroep ontvankelijk was, dat sprake was van een bodembedreigende activiteit en dat appellant terecht als drijver van de inrichting werd aangemerkt. Kleinschaligheid en het feit dat het perceel deels door anderen werd gehuurd, deden niet af aan de verplichting tot rapportage. Het gelijkheidsbeginsel werd niet toegepast omdat dit betoog te laat werd ingebracht. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees de beroepen af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom wordt bevestigd.