Uitspraak
Datum uitspraak: 19 augustus 2020
Raad van State
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 16 januari 2018 een bestuurlijke boete van €39.600,- op aan appellant sub 2, eigenaar van een restaurant, wegens het niet tijdig verstrekken van loonbescheiden van vier werknemers. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd de boete verlaagd naar €8.000,-. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in, appellant sub 2 incidenteel.
De Raad van State oordeelt dat appellant sub 2 verantwoordelijk is voor het tijdig aanleveren van de gevraagde stukken, ook al had hij dit uitbesteed aan een administratiekantoor. De rechtbank had ten onrechte de boete verlaagd omdat het niet tijdig verstrekken van stukken voor vier werknemers als één gedraging werd gezien en vanwege de geringe uren en loonbetalingen. De Raad stelt dat voor elke werknemer afzonderlijk een boete geldt en dat de ernst van de overtreding niet afhangt van het aantal gewerkte uren of de hoogte van het loon.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en het besluit van 3 oktober 2018, herroept het besluit van 16 januari 2018 en stelt de boete vast op €28.000,-. Het incidenteel hoger beroep van appellant sub 2 wordt ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op €28.000,- en het besluit van 3 oktober 2018 wordt vernietigd.