Uitspraak
Datum uitspraak: 12 augustus 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde legde op 24 september 2018 een dwangsombesluit op aan appellant, eigenaar van een recreatiewoning, wegens het gebruik van deze woning voor huisvesting van (buitenlandse) werknemers, wat in strijd is met het bestemmingsplan 'Recreatieterrein Horsterwold 2012'. Na controles op 20 september 2018 en 27 februari 2019 stelde het college vast dat de recreatiewoning niet-recreatief werd gebruikt en legde een dwangsom van €25.000,- op.
Appellant voerde onder meer aan dat het college onvoldoende bewijs had geleverd, dat hij niet in de gelegenheid was gesteld een zienswijze te geven voorafgaand aan het invorderingsbesluit, en dat de last niet was overtreden omdat een van de bewoners in de Basisregistratie Personen stond ingeschreven op een ander adres. De rechtbank oordeelde dat het college met de controleverslagen aannemelijk had gemaakt dat de recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan werd gebruikt en dat appellant niet was benadeeld door het ontbreken van een zienswijze vooraf.
De Raad van State bevestigt deze uitspraak. Het college had voldoende bewijs, waaronder verklaringen van aanwezige werknemers en correspondentie met het uitzendbureau. Het ontbreken van een zienswijze voorafgaand aan het invorderingsbesluit werd gecompenseerd door de mogelijkheid tot bezwaar en beroep. De Raad oordeelt dat het gebruik van de recreatiewoning voor huisvesting van werknemers voldoende is vastgesteld en dat de dwangsom terecht is ingevorderd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het dwangsombesluit wordt bevestigd.