ECLI:NL:RVS:2020:1645
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete voor hennepkwekerij in woning zonder commercieel oogmerk
Op 22 december 2016 trof de politie een hennepkwekerij aan in de woning van appellant, met 230 planten en kweekmaterialen. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde daarop een bestuurlijke boete van €10.250,- op wegens overtreding van artikel 21 van Pro de Huisvestingswet 2014.
Appellant voerde aan dat hij geen commercieel oogmerk had en de hennep teelde voor medicinale doeleinden voor een zieke vriend in Polen. Hij stelde dat de boete onterecht was verhoogd op grond van vermeende bedrijfsmatige exploitatie en dat de strafrechtelijke veroordeling meegewogen had moeten worden bij de boetebepaling.
De Raad van State oordeelde dat het college terecht van bedrijfsmatige exploitatie mocht uitgaan gezien de omvang van de kwekerij en materialen. De stelling van appellant werd verworpen. De strafrechtelijke veroordeling stond handhaving niet in de weg omdat de Huisvestingswet en Opiumwet verschillende doelen dienen. Ook waren geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die matiging van de boete rechtvaardigen.
De rechtbank had de boete terecht bevestigd en het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard. De uitspraak van 2 juli 2019 blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €10.250,- wegens het exploiteren van een hennepkwekerij wordt bevestigd.