ECLI:NL:RVS:2020:1599
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering jachtakte wegens vrees voor misbruik door verblijf in criminele kringen
Appellant vroeg een jachtakte aan, die door de korpschef van politie werd geweigerd op grond van artikel 3.28 van de Wet natuurbescherming, vanwege vrees voor misbruik. De minister verklaarde het administratief beroep van appellant ongegrond en de rechtbank bevestigde dit oordeel.
De kern van het geschil is dat appellant woonachtig is in een woonwagencentrum waaruit blijkt dat criminele activiteiten plaatsvinden, waaronder drugshandel en illegale wapenbezit. Hoewel appellant zelf niet strafrechtelijk is veroordeeld, is hij volgens de minister en rechtbank onderdeel van criminele kringen, mede door familiebanden en de gesloten gemeenschap.
Appellant betwistte deze kwalificatie en wees op het ontbreken van persoonlijke strafrechtelijke veroordelingen en beperkt contact met familieleden. De Raad van State oordeelde echter dat voor het weigeren van een jachtakte geringe twijfel aan de betrouwbaarheid van de aanvrager voldoende is en dat het verblijf in een criminele omgeving en de aanwijzingen uit politieprocessen-verbaal een deugdelijke grond vormen.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de jachtakte bevestigd.