ECLI:NL:RVS:2020:1459
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Nederlanderschap voor kinderen wegens verblijfsgat
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft het verzoek van appellant om zijn kinderen het Nederlanderschap te verlenen afgewezen omdat de kinderen niet onafgebroken toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland hadden. Van 28 januari 2018 tot 1 februari 2018 bestond een verblijfsgat doordat zij geen geldige verblijfsvergunning hadden.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing, maar dit bezwaar en het daarop volgende beroep bij de rechtbank werden ongegrond verklaard. In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat het verblijfsgat niet voor zijn rekening moest komen omdat hij niet was geïnformeerd over de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de verblijfsvergunningen en niet was gewaarschuwd voor het verblijfsgat.
De Raad van State oordeelt dat de naturalisatieprocedure en de verblijfsrechtelijke procedure gescheiden zijn en dat het op appellant rustte om bezwaar te maken tegen de verblijfsvergunningen. Er is geen bewijs dat de staatssecretaris appellant verkeerd heeft geïnformeerd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het Nederlanderschap voor de kinderen wordt bevestigd.