ECLI:NL:RVS:2020:1415
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Vermogenstoets voor zorgtoeslag niet strijdig met discriminatieverbod
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de herziening van de zorgtoeslag over 2013 door de Belastingdienst/Toeslagen, waarbij de toeslag werd vastgesteld op nihil wegens overschrijding van de vermogensgrens in box 3. Appellant betoogde dat het vermogen in box 3 niet mee zou mogen tellen omdat dat in box 1 en 2 ook niet gebeurt, en dat dit onderscheid discriminerend is.
De rechtbank oordeelde dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat het onderscheid tussen box 3 enerzijds en box 1 en 2 anderzijds een redelijke en objectieve rechtvaardiging kent. De rechtbank stelde vast dat de hoorplicht door de Belastingdienst was geschonden, maar dat appellant daardoor niet in zijn belangen was geschaad, zodat het gebrek werd gepasseerd.
In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak deze oordelen en verwijst naar eerdere jurisprudentie. Het beroep op het discriminatieverbod en het gelijkheidsbeginsel faalt. Wel wordt het oordeel van de rechtbank vernietigd voor zover deze naliet appellant een proceskostenvergoeding en griffierecht te vergoeden. De Belastingdienst wordt daartoe veroordeeld. Voor het overige wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat het vermogen in box 3 meetelt voor zorgtoeslag en veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.