ECLI:NL:RVS:2020:1376
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking verblijfsvergunning wegens onvoldoende kapitaalinvestering
De vreemdeling had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking 'arbeid als zelfstandige'. Na wijziging van haar onderneming van een eenmanszaak naar een BV, trok de staatssecretaris haar vergunning in omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij het vereiste kapitaal van €4.500 had geïnvesteerd. De rechtbank oordeelde dat de door de vreemdeling overgelegde stukken onvoldoende bewijs leverden, mede omdat de agiostorting pas na de wijziging plaatsvond en het bankafschrift het woord 'funding' bevatte dat niet dwingend op een kapitaalinvestering wees.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat haar verklaring en het verslag van de aandeelhoudersvergadering wel bewijswaarde hebben, mede omdat zij de enige aandeelhouder is en de boekhouder de balans had aangepast. De staatssecretaris had niet toegelicht waarom de storting niet als daadwerkelijke kapitaalinvestering kon worden gezien. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het besluit van de staatssecretaris ondeugdelijk was gemotiveerd en vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling toegewezen.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering over de kapitaalinvestering.