ECLI:NL:RVS:2020:1142
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluiten van 1 november 2017 en 28 maart 2018 aanvragen van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat door de staatssecretaris ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde de besluiten, met de opdracht aan de staatssecretaris om nieuwe besluiten te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de enige grief die in hoger beroep werd aangevoerd slaagt, verwijzend naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2019:1171). De vreemdelingen beroepen zich wel op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, maar zonder concrete uitwerking.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling, omdat de rechtbank niet aan een inhoudelijke beoordeling van andere beroepsgronden was toegekomen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor verdere behandeling.