ECLI:NL:RVS:2019:732
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens kamerverhuur zonder melding
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde appellant een dwangsom van €30.000 op wegens het gebruik van een pand voor kamerverhuur zonder de vereiste melding volgens artikel 1.18 van het Bouwbesluit 2012. Na constatering van vijf wooneenheden zonder melding op 13 maart 2017 werd de dwangsom ingevorderd.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat na het alsnog doen van de melding is gebleken dat de woning voldeed aan brandveiligheidsvereisten, waardoor de melding niet nodig was en de dwangsom onterecht werd ingevorderd. De Raad van State oordeelde echter dat het dwangsombesluit zelf onherroepelijk is omdat tegen het oorspronkelijke besluit geen beroep is ingesteld. Gronden die tegen het dwangsombesluit konden worden aangevoerd, kunnen in de procedure tegen de invordering slechts in uitzonderlijke gevallen worden behandeld, wat hier niet het geval was.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsom bevestigd.