ECLI:NL:RVS:2019:688
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging registratie Surinaamse nationaliteit in basisregistratie personen
Het college heeft ambtshalve geregistreerd dat appellant de Surinaamse nationaliteit bezit, omdat uit onderzoek van de Immigratie- en Naturalisatiedienst bleek dat hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit. Appellant voerde aan dat hij de Nederlandse nationaliteit ontleent aan zijn vader, die bij Koninklijk Besluit genaturaliseerd zou zijn, en dat het college niet bevoegd is om de Surinaamse nationaliteit vast te stellen.
De Afdeling volgt appellant niet in zijn betoog. De gronden die appellant aanvoert over de nationaliteit van zijn vader zijn reeds in een eerdere uitspraak verworpen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Op grond van het Surinaamse nationaliteitsrecht wordt ervan uitgegaan dat appellant de Surinaamse nationaliteit bezit.
Het college heeft de bevoegdheid om de Surinaamse nationaliteit te registreren op grond van artikel 2.15 van de Wet basisregistratie personen. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de registratie van de Surinaamse nationaliteit in de brp wordt bevestigd.