ECLI:NL:RVS:2017:628
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling Rwandese nationaliteit leidt tot ongegrondverklaring asielaanvraag
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank had dit besluit vernietigd en het beroep gegrond verklaard, omdat zij oordeelde dat de staatssecretaris ten onrechte aannam dat de vreemdeling de Rwandese nationaliteit had.
De staatssecretaris stelde dat uit onderzoek en een individueel ambtsbericht was gebleken dat de vreemdeling daadwerkelijk de Rwandese nationaliteit bezit, en dat het overgelegde Congolese paspoort geen nieuw element vormde. De rechtbank had dit standpunt niet als in rechte vaststaand erkend, wat volgens de staatssecretaris onjuist was.
De Raad van State oordeelde dat het standpunt van de staatssecretaris dat de vreemdeling de Rwandese nationaliteit bezit, in rechte vaststaat. De vreemdeling had onvoldoende aangetoond dat hij deze nationaliteit niet heeft. Het Congolese paspoort is niet relevant voor de beoordeling van de nationaliteit, omdat de Rwandese autoriteiten exclusief bevoegd zijn hierover te oordelen.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard omdat vaststaat dat hij de Rwandese nationaliteit bezit.