ECLI:NL:RVS:2019:59
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vrijheidsontnemende maatregelen wegens procedurele onrechtmatigheden in vreemdelingenrecht
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen vrijheidsontnemende maatregelen opgelegd op 1 en 15 mei 2018. De rechtbank had deze beroepen ongegrond verklaard, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt deze uitspraak.
De maatregel van 1 mei 2018 was onrechtmatig omdat het aan de vreemdeling uitgereikte exemplaar niet was ondertekend, en de belangenafweging ten onrechte in het voordeel van de staatssecretaris uitviel. Het algemene grensbewakingsbelang is onvoldoende zwaarwegend om het gebrek te rechtvaardigen.
De maatregel van 15 mei 2018 is onrechtmatig omdat de vreemdeling niet is gehoord binnen de wettelijke termijn, wat een schending van artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 inhoudt. Dit leidt tot onrechtmatigheid vanaf 30 mei 2018.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank, en verklaart de beroepen van de vreemdeling gegrond. Er wordt een vergoeding van €3.360 toegekend en proceskosten van €1.536 worden aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregelen zijn onrechtmatig verklaard, de beroepen gegrond verklaard en een schadevergoeding toegekend.