ECLI:NL:RVS:2019:4420
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende bewijs huiselijk geweld
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens vermeend huiselijk geweld in de periode 2005-2012. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag af vanwege het ontbreken van objectieve en onpartijdige bewijsstukken, mede omdat er geen aangifte was gedaan en geen strafrechtelijk onderzoek plaatsvond.
De rechtbank oordeelde dat de CSG zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat appellante niet aannemelijk had gemaakt slachtoffer te zijn van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Verklaringen van familie en vrienden werden als onvoldoende concreet en niet objectief beoordeeld, en foto’s van verwondingen boden geen duidelijkheid over toedracht en tijdstip. Ook medische documenten en rapporten van Veilig Thuis ondersteunden de claim niet voor de relevante periode.
Appellante voerde aan dat er voldoende bewijs zou zijn voor een strafrechtelijke veroordeling, wat ook toereikend zou moeten zijn voor het fonds. De Raad van State verwierp dit, verwijzend naar het beleidskader waarin objectieve aanwijzingen vereist zijn, vooral bij het ontbreken van een strafzaak. De enkele verklaring van appellante volstaat niet.
De Raad van State concludeerde dat de rechtbank de afwijzing van de aanvraag door de CSG terecht had bevestigd en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wordt bevestigd.