ECLI:NL:RVS:2019:4415
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen kosten bestuursdwang wegens onjuist aanbieden huishoudelijk afval
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 6 december 2018 spoedeisende bestuursdwang toegepast door het verwijderen van een doos die naast een aangewezen inzamelvoorziening was geplaatst. De doos was voorzien van naam- en adresgegevens van appellant, waardoor het college hem als overtreder van de Afvalstoffenverordening 2010 aanmerkte en kosten van €126,00 aan hem oplegde.
Appellant voerde aan dat het college de beslistermijn voor het bezwaar had overschreden en dat hij de doos niet zelf had geplaatst, maar had meegegeven aan kinderen die oud papier inzamelden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de beslistermijn een termijn van orde is en overschrijding daarvan niet leidt tot vernietiging van het besluit. Verder werd geoordeeld dat appellant als overtreder kan worden aangemerkt omdat hij het risico aanvaardde dat de kinderen het afval onjuist aanboden.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De Afdeling bevestigde dat het college terecht een deel van de bestuursdwangkosten op appellant kon verhalen, aangezien hij verantwoordelijk is voor de overtreding van artikel 9 van Pro de Afvalstoffenverordening.
Uitkomst: Het beroep tegen het opleggen van kosten bestuursdwang wegens onjuist aanbieden van afval wordt ongegrond verklaard.